11 november, 2009 (gepubliceerd)
10 oktober, 2011 (laatst gewijzigd)

Opleuken van wetenschappelijke teksten

  Rubrieken: Wetenschap
  Steekwoorden:  , ,

In het Culturele Supplement (CS) van de NRC van 18 september jl.. stond een stuk van Marita Mathijsen, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, getiteld “Hoe ver kan je gaan?”. Daarin bepleit zij dat (natuur)wetenschappelijke teksten “literairder” zouden moeten worden. Op mijn verzoek of ik mocht reageren op dat stuk in het CS kreeg ik aanvankelijk een positieve reactie van de chef van het CS. Ik heb daarop een repliek ingeleverd dat aan de gewenste lengte voldeed (1000 woorden). Maar het stuk werd toch niet geplaatst omdat het “teveel de reactie van een betrokkene is”. Een ingekorte versie is wel geplaatst in de bijlage Wetenschap van de NRC. In dit bericht vindt u:

  1. Mijn oorspronkelijke reactie zoals ingestuurd naar CS
  2. De reactie van Marita Mathijsen op mijn ingekorte reactie, beide verschenen in de NRC wetenschap van 17 oktober
  3. Een reactie op beide stukken van NRC-lezer G. De Mey
  4. Een reactie op beide stukken van NRC-lezer Jan C. Molenaar
  5. Een stuk (met toestemming van de auteur) van de Leidse epidemioloog Frits Rosendaal, jaren geleden gepubliceerd in de Volkskrant over het zelfde onderwerp.  Blijkbaar steekt deze discussie regelmatig de kop op.

==============================================
Oorspronkelijke reactie Ad L
==============================================
Hoe saaier de vorm van een wetenschappelijk artikel, hoe beter
In het Culturele Supplement van de NRC van 18 september jl.. breekt Marita Mathijsen, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, een lans om wetenschappelijke teksten  literairder te maken. Expliciet komt ze met de aanbeveling om meer uitweidingen, mooischrijverij en metaforen te gebruiken in een wetenschappelijke publicatie.  In haar betoog betrekt ze uitdrukkelijk natuurwetenschappelijke teksten. Het opvolgen van haar raad door natuurwetenschappers zou een ramp betekenen. Mijn bezwaren zijn van praktische en van principiële aard.

Jargon Engels
In de wereld van de natuurwetenschap is het klapstuk van een wetenschappelijk onderzoek de publicatie in een vaktijdschrift. Na de Tweede Wereldoorlog is de lingua franca in natuurwetenschap het Engels. Dat wetenschappelijke jargon moet niet worden verward met het Algemeen Beschaafd Engels, gesproken door goedopgeleide volwassen Engelsen of Amerikanen. Hoeveel natuurwetenschappers zijn als kind opgevoed in de Engelse taal en hoeveel zijn opgevoed in een andere taal? Ik heb geen precieze cijfers kunnen vinden, maar mijn schatting is dat minder dan 20% van de natuurwetenschappers het Engels als eerste taal heeft: d.w.z. minder dan één op de vijf . (top) Tussen de wetenschappers die Engels als tweede taal spreken, kan heel wat onderscheid  gemaakt worden. Nederlanders en Fransen spreken een charmant steenkolenengels, dat redelijk begrijpelijk is. Voor Chinezen daarentegen is het schier onmogelijk om acceptabel Engels te spreken en te schrijven. De tranen schieten je in de ogen als je een briljante Chinese of Japanse geleerde een voordracht hoort geven en je hem ziet en hoort worstelen met de taal. Indien de aanbevelingen van Marita Mathijsen worden opgevolgd, zou dit inhouden dat voor zo’n tachtig procent van de beoefenaren van natuurwetenschap extra belemmeringen worden opgeworpen. Zij zouden minder begrijpen van gepubliceerde wetenschappelijke artikelen en ze zouden ze zelf niet meer kunnen schrijven. De invoering zou positieve discriminatie inhouden ten opzichte van degenen voor wie Engels de moedertaal is; wetenschappers die toch al voordeel hebben in de wetenschappelijke communicatie.  Slechts enkelingen, namelijk die met een talenknobbel, is het gegeven om in een tweede taal op hoog niveau te kunnen communiceren. Exacte wetenschappers hebben in de eerste plaats een wiskundeknobbel, sommigen hebben eenvoudigweg geen talenknobbel, anderen hebben hun talenten in die richting niet verder ontwikkeld. (top)

Context van rechtvaardiging
Afgezien van de praktische bezwaren tegen het opleuken van wetenschappelijke artikelen met literaire verwarringen en vaagheden, zijn er ook principiële tegenwerpingen. In de filosofie van de wetenschap wordt onderscheid gemaakt tussen de context van rechtvaardiging en de context van ontdekking. Natuurlijk zijn er altijd critici die het bestaan van deze scheidslijn – beschreven in 1938 door filosoof en natuurwetenschapper Hans Reichenbach –  ontkennen, maar voor natuurwetenschappers is de indeling herkenbaar en praktisch. Onder de context van rechtvaardiging valt een vraag als: Hoe kunnen we een theorie testen? Ook de beschrijving van de resultaten van een nieuw experiment, of van de bevestiging van een eerder experiment valt eronder. Resultaten verkregen binnen deze context worden gepubliceerd in vaktijdschriften. De beoefenaren van natuurwetenschap, waar ik gemakshalve wiskunde ook toereken, publiceren in Engelstalige vaktijdschriften in een – gemeten naar literaire normen – clichématige taal. Die steriliteit van de communicatie is geen slechte eigenschap, in tegendeel het is mede door die eenvoud dat de overdacht van kennis optimaal is. Het gaat bij de wetenschap om de inhoud. Die moet zo duidelijk en eenduidig mogelijk worden gepresenteerd. Natuurwetenschappelijke teksten, zelfs die louter bestaan uit opsommingen van wiskundige stellingen met hun bewijs, zijn voor vakmensen niet saai, maar dikwijls boeiend, stimulerend en uitdagend. Om deze teksten, zoals Mathijsen doet, te vergelijken met de vermeende onaantrekkelijkheid van een mongoloïde kind, vind ik onsmakelijk. Wetenschappelijke artikelen zijn geen detectiveverhalen. De clue wordt al weggeven in de titel.

Luister wat Aldous Huxley erover zegt (na ongeveer  2:40 min. vanaf begin video.) (top)

[flv:http://www.interferenties.nl/wp-content/uploads/ad/aldoushuxley.flv 350 240]

Ik citeer relevante tekst:

Let us consider the question of scientific language and literary language. The essence of good scientific language is that one word shall stand only for one thing. There has to be a sort of one to one relationship between the given word and the given event or thing that is being talked about. In regard to literature, the important thing is first of all so to be able to express the inexpressible and secondly  to express in  multiple meanings which every event has for a human being.

Mijn, door Marita Mathijsen zo verfoeide, gids Survival Guide for Scientists (Amsterdam University Press, 2008) helpt jonge natuurwetenschappers om hun wetenschappelijke artikelen in die clichés te gieten die hun werk optimaal toegankelijk maakt voor hun collega’s . (top)

Context van ontdekking
Een vraag als “Hoe komt een wetenschapper tot een ontdekking?” is onderdeel van de context van ontdekking. Wetenschappelijke teksten kunnen saai zijn voor buitenstaanders. Om die leken te interesseren voor ontwikkelingen en ontdekkingen van de wetenschap kan populariseren van nut zijn. En bij dat populariseren kunnen alle mogelijke literaire hulpmiddelen gebruikt worden. Veel van de voorbeelden die Marita Mathijsen aanhaalt, vallen onder dit populariseren. Wetenschap toegankelijk maken voor een breed publiek is waardevol. Maar populariseren, gedefinieerd als hetzelfde eenvoudiger uitleggen aan een lekenpubliek, behoort niet tot het domein van de context van rechtvaardiging.

In mijn boek staat als advies aan jonge bètawetenschappers: “Do not write literature”. “Do not pretend to be Nabobov”. Volgens Mathijsen weet ik blijkbaar niet  dat wetenschappelijke teksten altijd literaire elementen bevatten. Ik citeer uit Webster’s NewWorld Dictionary:  -literature, (1) the profession of an author, production of writings, esp. those of an imaginative prose, verse, etc. 2. (a) all writings in prose or verse, esp. those of an imaginative or critical character, without regard to their excellence: often distinguished from scientific writing, news, reporting, etc. De toevoeging “often distinguished from scientific writing” zegt het helemaal. Ik hou van woordenboeken. Vooral om hun voorspelbare, nuttige, doch saaie structuren die ze maken tot een rijkdom aan efficiënte kennisoverdracht, zonder metafoor of mooischrijverij. (AL is Ramy El-Dardiry erkentelijk voor commentaar op dit stuk)

==============================================
Antwoord van Marita Mathijsen
(in bijlage Wetenschap van 17 oktober 2009) (top) ==============================================
In mijn Hanlo-lezing geef ik een categorisering van wetenschappelijke schrijvers die succes hebben als publicist. Als eerste noem ik de soberman, die glashelder proza zonder jargon en zonder versieringen schrijft. Ik waardeer deze categorie schrijvers niet minder dan de barokke, die ik ook noem. In tegenstelling tot wat Lagendijk beweert, pleit ik niet zonder meer voor ‘mooischrijverij’. Ik meen wel dat retorische middelen toegelaten moeten worden in wetenschappelijk proza, maar wie de stijl niet beheerst, hoede er zich inderdaad voor. Dat wil nog niet zeggen dat er niet op z’n minst gestreefd moet worden in alle wetenschappen naar een stijl die zo helder mogelijk is – zoals Lagendijk ook zelf beweert. Waar wiskundige bewijsvoering het hele betoog vormt, houdt natuurlijk alles op, maar dat pleit nog niet tegen de hoofdstelling van mijn Hanlo-lezing, namelijk dat ook voor de wetenschap stijl een bewijs is van beheersing, inzet van de persoonlijkheid een bewijs is van een kritische instelling en het gebruik van retorische middelen een bewijs van vakmanschap. Ik ‘verfoei’ Lagendijks nuttige gids helemaal niet, integendeel, ik raad die elke aio die in het buitenland gaat spreken aan, maar ik vind hem te rigide in zijn opmerking om niet origineel te zijn. Zelfs de bètaproefschriftschrijver moet allerlei beslissingen nemen die een romanschrijver ook moet nemen: over het tijdsverloop, over het point of view, over de plaats van handeling, over het aantal processen dat hij beschrijft. Die beslissingen kun je aan het cliché overlaten, je kunt ook proberen daarin te variëren.

==============================================
NRC lezersreactie 1: G. De Mey (top)
==============================================
Ja, hoe saaier, hoe beter De stijldiscussie lijkt mij een gepasseerd station. John Maddox, wijlen hoofdredacteur van Nature en auteur van What Remains to be Discovered (1998), heeft zijn tijdschrift in de jaren 90 opengesteld voor stijlsuggesties. Resultaat: Nature blijft net als concurrent Science een prima tijdschrift waar iedereen aan zijn trekken komt: de ‘articles & letters’ respecteren de ‘guide to authors’ en de ‘news & views’ sectie plaatst de artikels in een bredere context, met haast altijd een ‘pun’ in de titel. Alle andere secties zijn ook voor leken goed leesbaar. Overigens zijn er voor elke discipline uitstekende populair wetenschappelijke auteurs: in de astronomie (John Gribbin), wiskunde (Keith Devlin, Eli Maor, Ian Stewart), evolutie (Lynn Caporale, Sean Carroll, Jerry Coyne, Charles Darwin(!), Richard Dawkins, Daniel Dennett, George Dyson, Bas Haring, Steve Jones, Roger Lewin, Ernst Mayr, Martin Nowak, Matt en Mark Ridley, John Maynard Smith, Steven Strogatz, Lewis Wolpert, Carl Zimmer).

G. De Mey Tervuren, België

==============================================
NRC lezersreactie 2:  J. C. Molenaar (top)
==============================================
Ja, hoe saaier, hoe beter 2
De negatieve reactie van natuurwetenschapper Ad Lagendijk op de Hanlo-lezing van letterkundige Marita Mathijsen, die wetenschappers uitdaagt in hun teksten meer van retorische middelen gebruik te maken, vraagt om enig commentaar. Lagendijk stelt vast dat sinds de Tweede Wereldoorlog Engels de lingua franca van de natuurwetenschap is, maar dat voor pakweg slechts één op de vijf wetenschappers die taal hun moedertaal is. Velen behelpen zich met een soort steenkolen Engels of, hoe briljant en geleerd ook, zijn helemaal niet in staat om zich op acceptabele wijze in het Engels uit te drukken. Voor communicatie met vakbroeders zijn wetenschappers, aldus Lagendijk, aangewezen op een sobere “clichématige” vaktaal. Als het wat anders was gelopen, had die taal dus even goed Frans of gebarentaal kunnen zijn. Voor de hedendaagse natuurwetenschap is taal blijkbaar van secundair belang. Taal behoort niet tot de kern, maar bevindt zich in de periferie van de natuurwetenschap. Hoe komt dat? Ooit is dat namelijk wel anders geweest.In de moderne natuurwetenschap is alles er op gericht de werkelijkheid van de ons omringende natuur binnen het bereik van ons gezichtsvermogen te brengen. Iets kan pas worden begrepen, als het is gezien. Zien is weten. Wie het onderscheid niet kent tussen wat kan worden gezien en wat met woorden moet worden uitgelegd, heeft één van de basisprincipes van het moderne wetenschappelijk denken niet begrepen, schrijft Evelyn Fox Keller in haar boek Making Sense of Life. Explaining Biological Development with Models, Metaphors and Machines. Kostbare technologie wordt ingezet om de dode en levende natuur tot op het kleinste niveau zichtbaar te maken. En wat natuurwetenschappers in beeld kunnen brengen is niet gewoon, maar grenst aan het ongelooflijke. In haar boek De menselijke conditie stelt Hannah Arendt “dat de ‘waarheden’ van de moderne wetenschappelijke wereldbeschouwing niet meer normaal onder woorden zijn te brengen of zelfs maar te denken zijn”. En hiermee plaatst de natuurwetenschap zich volgens Arendt buiten het politieke discours van de samenleving, want “het is het spreken dat de mens tot een politiek wezen maakt”. Door taal te verwaarlozen, dreigen wetenschappers zich buiten de samenleving te plaatsen.Voor het behoud van het vertrouwen, de erkenning en de (financiële!) steun die de moderne wetenschap terecht van de samenleving vraagt, zouden aandacht voor taal en voor retorische vaardigheid voor wetenschappers wel eens van toenemend belang kunnen zijn.

dr. Jan C. Molenaar emeritus hoogleraar EUR

==============================================
Opiniestuk van Frits Rosendaal
in de Volkskrant  van 17 juni,  2002 (top) ==============================================
Universiteiten schieten door in het gebruik van het Engels. Die taal kan de overdracht van kennis tussen Nederlandse docenten en studenten bemoeilijken. Dat is een serieuzer probleem dan de vermeende slechte beheersing van het Engels, meent Frits Rosendaal.

WETENSCHAPPERS moeten op Engelse les, volgens een verslag van een promotie-onderzoek naar het Engels van Nederlandse onderzoekers in Engelstalige publicaties (de Volkskrant, 8 juni). Inderdaad zijn vrijwel alle publicaties in de exacte vakken tegenwoordig in internationale Engelstalige tijdschriften. Het ‘Dunglish’ van de Nederlandse onderzoeker zou volgens dit onderzoek bij allerlei buitenlandse collegae, waaronder Spanjaarden, Fransen en zelfs Japanners, tot onbegrip en irritatie leiden. Het is moeilijk dit te geloven, vooral wanneer de voorbeelden van foutief Engels woorden als paragraph (section), agenda (diary) en concept (draft) zijn. Deze woorden treft men zelden aan in publicaties over nanomoleculen, deeltjesver snellers of kunstmatige intelligentie. Nog bevreemdender wordt het wanneer het over de stijl gaat: Nederlandse auteurs zouden te korte zinnen gebruiken, en hun Engelstalige artikelen hebben niet ‘zoals elk goed boek een logische vertaallijn, een prikkelende spanningsboog’. Een wetenschappelijk artikel is echter geen roman, waarin we tot het laatste hoofdstuk moeten wachten om te weten te komen dat de butler het gedaan heeft – dat hoort al in de titel te staan. Om uit een onverdachte bron te citeren (How to write and publish a scientific paper, van R.A. Day): ‘Do not keep the reader in suspense (…) An O’Henry surprise ending might make good literature, but it hardly fits the mold that we like to call the scientific method (..) A scientific paper is not literature (..) A scientific paper is not intended to be read. It is designed to be published.’ Het Engels van wetenschappelijke publicaties heeft niets te maken met de taal die in Engeland en de Verenigde Staten gesproken wordt; het is een lingua franca van de wetenschap, zoals eerder het Latijn, het Frans en het Duits dat waren. In de publicaties wordt een specifieke stijl gehanteerd, met een woordenschat van niet meer dan zo’n 1000 woorden. Dit kan iedere promovendus in vier jaar leren. Literair geschrijf wordt ontmoedigd, zo dienen bijvoeglijke naamwoorden niet gekwalificeerd te worden en zo min mogelijk gebruikt te worden (dus ‘an increase’, en geen ‘small increase’, en vooral niet ‘a very small increase’), worden geen synoniemen gebruikt, en ook geen literaire zinswendingen, retorische vragen of anderszins. Dit alles om zo feitelijk mogelijk te schrijven, en om het zo helder mogelijk over te brengen op de Spaanse, Franse en Japanse lezer. In gezamenlijke publicaties met Amerikaanse en Engelse wetenschapsbeoefenaars, waarbij het concept van een artikel vele malen tussen de auteurs heen en weer gaat, blijkt dat zij precies dezelfde criteria hanteren. Kortom, het onderzoek toont niet veel meer aan dan dat Nederlanders geen perfect Engels spreken. Geen opwindende ontdekking. In de conclusie wordt echter vermeld dat indien zij voor hun wetenschappelijke artikelen professionele vertalers in de arm zouden nemen, hun publicaties in betere tijdschriften gepubliceerd zouden worden, en zij vaker geciteerd zouden worden. Deze gedachte blijkt ook steeds meer post te vatten bij universiteitsbestuurders, die er toe zijn over gegaan een aantal studies gedeeltelijk of geheel in het Engels te doceren, om zo te komen tot ‘Yale aan de Rijn’ of ‘Harvard aan de Amstel’. Nu is het niet alleen onaannemelijk dat het imperfecte Engels van Nederlandse docenten het Engels van de studenten tot grotere hoogten zal opstuwen, maar het is zelfs een reele vraag of ons universitair onderwijs hier niet onder zal lijden. Buitenlandse bezoekers, onder wie Engelsen en Amerikanen, kijken ongelovig wanneer zij horen dat wij van plan zijn ingewikkelde concepten door Nederlanders aan Nederlanders in het Engels te laten overbrengen. En een Amerikaan die recent zijn sabbatical year aan de Universiteit van Leiden doorbracht, merkte op: ‘Waarom proberen jullie niet Leiden aan de Rijn te worden’?

Frits Rosendaal is als hoogleraar verbonden aan het Leiden University Medical Center. (top)

Print Friendly
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Schrijf een reactie

*