[Column, een iets ingekorte versie werd op donderdag 35 maart, 2010 uitgesproken ter gelegenheid van de Dies 2010 van de Faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde & Informatica van de Universiteit van Amsterdam]
Wat leer je zo al als mens in je leven? Wat voor voortschrijdend inzicht stel je bij jezelf vast? Wat vind je van de dingen uit het verleden met de kennis van nu?
Als er iets is wat ik geleerd heb, is het de volgende uitdrukking te waarderen: Je krijgt wat je waardeert. Mijn collega’s Sander Bais en Teun Klapwijk hebben deze zienswijze al herhaaldelijk naar voren gebracht. Zelfs de Amerikanen weten het: You get what you value.
Ik ga de stelling preciseren: Je krijgt wat je beloont. Met de kennis van toen zou ik gezegd hebben: “Natuurlijk, beloningen als schouderklopjes, lintjes, medailles en oorkondes werken stimulerend”. Maar met de kennis van nu formuleer ik de uitspraak anders en splits ik hem op. Voor mensen en organisaties met macht, zoals overheid, beleidsmaker en directeuren: Je krijgt wat je financieel beloont. En voor de gewone burger luidt de vertaling: Je krijgt wat je beloont door je gedrag.
Waardering door de macht
Zoals het hoort, begin ik met de macht. In de jaren 1970 werd vastgesteld dat er in Nederland te weinig werd gepromoveerd aan de universiteiten. Het financieringsmodel werd aangepast en het aantal promoties is sindsdien sterk toegenomen. Nog wel niet genoeg volgens de OESO, maar de prikkel werkt.
In het hele onderwijs, van laag tot hoog, is de outputfinanciering ingesteld. Als je als overheid meer diploma’s wil en je schept de juiste voorwaarden, *krijg* je meer diploma’s. Op universiteiten heet dat het verhogen van het studierendement. Je kan het de bestuurders van de universiteit niet kwalijk nemen.
Als de overheid een hoger percentage wil van mensen die de eindstreep halen, kan een instelling met verschillende oplossingen komen. De instelling kan de eindstreep dichter bij brengen en met veel verbale mist deze maatregel zich aan de waarneming laten onttrekken. De instelling kan aan de studiebegeleiding denken. Men kan de docenten onder druk zetten. Het uiteindelijke resultaat zal zijn dat het studierendement omhoog gaat.
Op Harvard wordt niet over het studierendement gesproken. Maar daar staat het bedrijfsleven in de rij om geld aan deze universiteit te geven. In ons land zijn alle universiteiten arm. Het bedrijfsleven staat in de rij om subsidie van Den Haag te krijgen. Bedrijven concurreren zelfs met de universiteiten om Europese subsidies. Met het morele niveau van het Nederlands bedrijfsleven is überhaupt heel wat mis. Als je met een zoekmachine op het Internet zoekt naar “NMA boete” krijg je honderdduizend Nederlandstalige hits. Ik kon daarbij geen enkele boete voor een universiteit vinden.
Overal in de maatschappij worden prestatie-indicatoren ingesteld voor professionals. Professional is een modern woord voor iemand die een vak uitoefent. Vervolgens worden dié vaklui beloont, financieel of met betere arbeidsomstandigheden, die uitzonderlijk scoren op nieuwe prestatieschaal.
Het probleem is dat de kwaliteit van veel prestaties niet te vangen is in simpele kwantitatieve getallen. Moeten we de kwaliteit van een klassieke zangeres meten aan het aantal bezoekers dat haar concerten trekt?
Verder moet je belonen wat haalbaar is. Als je financieel beloont als een personeelslid beter gaat zingen, werkt het niet. Want dat zingen is zo gebonden aan talent en is zo weinig te verbeteren met oefening en inspanning.
Als het gevraagde prestatie-niveau *niet* binnen de mogelijkheden ligt van de beroepsgroep is er dus een probleem. Maar ook als de nieuwe einddoelen *wel* binnen het bereik van de gehele beroepsgroep liggen, zijn er ook vaak problemen.
Ik geef een voorbeeld. Een aantal jaren geleden verhuisde ik met mijn onderzoeksgroep naar de Universiteit van Twente (UT). Op dat moment hadden de onderzoeksgroepen van de UT weinig steun uit de zgn. Tweede Geldstroom, dat is het geld van stichtingen zoals NWO en STW. Het Twentse College van Bestuur wilde dat veranderen en heeft destijds als maatregel ingesteld dat er een extra financiële ondersteuning kwam voor onderzoek dat ook al werd gefinancierd uit de Tweede Geldstroom. Voor mij was dat prachtig. Maar na twee jaar ging de regel geheel aan zijn succes ten gronde. Iedere hoogleraar had toen steun uit de Tweede Geldstroom.
Een gehele beroepsgroep gaat zich richten op de nieuwe prestatie-i
ndicatoren. Als je het aantal wetenschappelijke publicaties financieel waardeert, krijg je Duitse toestanden met onderzoeksgroepen van dertig, veertig man met aan het hoofd een hoogleraar die *heel veel* publicaties op zijn naam heeft staan. Als je boterbergen waardeert, krijg je boterbergen. Geen enkele achterblijver accepteert zijn lage positie en gaat zijn gedrag aanpassen. Dat zou niet zo erg zijn, als het niet zo moeilijk zou zijn om goede normen voor kwaliteit te vinden.
Waardering door de burger
Tegenwoordig worden prestatie-indicatoreon, buiten en binnen de wetenschap steeds meer bepaald door de handelwijze van de burger. Het stem-, koop-, luister-, lees- en kijkgedrag van de burger bepaalt onze cultuur en onze economie en binnenkort ook onze wetenschap. De reclame-uitingen in de media zijn zo ongelooflijk stupide. Altijd vol met leugens. Zo schreeuwerig. Zo vol met verkeerde rolmodellen. En toch blijft de burger de spullen kopen. De roep om een publieke omroep zonder reclame is onhoorbaar. Het hele Internet zit vol met pop-ups en sidekicks met triviale commerciële boodschappen. Altijd hinderlijk, heel vaak stompzinnig en alleen Google wordt er rijk van.
Commerciële media als RTL lichten de burger op voor minstens negen miljoen euro met belspelletjes. En diezelfde omroep komt met morele verontwaardiging over een zonnebril van Wouter Bos, broodje haring van Guusje Terhorst, en een reisje naar de Efteling van een politiecommissaris. De burger pikt het en blijft kijken en blijft bellen.
Natuurlijk, ons soort mensen kijkt niet naar de commerciëlen. Wij kijken naar NOVA, Netwerk, Pauw en Witteman, De Wereld Draait Door (DWDD) en luisteren naar Radio 1. Het zijn allemaal programma’s met hetzelfde format: één of twee presentatoren ondervragen hun gasten over het nieuws van de dag. Als het gasten betreft die ook bij de media werken, is dat praten meer slijmen. Bij DWDD is het, naast het voortdurend onderbreken, altijd slijmen.
Maar heel vaak is het de inquisitie. Onbeschoft tot hufterig gedrag van de presentatoren. Wat zijn de kenmerken? Hun gast voortdurend onderbreken, zichzelf niet laten onderbreken, geholpen worden door de gehele redactie en regisseur via de “oortjes”, insinueren en hun gast voor jokkebrok uitmaken. Het is ten slotte hun show en niet die van hun gasten. Het toppunt van onbeschoftheid was laatst Clairy Polak die aan Wouter Bos vroeg “Dus u heeft het kabinet laten vallen om wat vaker bij u kinderen te kunnen zijn”. Clairy Polak, Lara Rense, Margriet Vromans, Sven Kockelman, Moraalridders van de EO, Twan Huys en nog vele andere presentatoren gedragen zich als brutale inquisiteurs. Zogenaamd om de democratie te beschermen. Maar ze willen scoren. Omdat ze daarvoor door de burger gewaardeerd worden. Omdat de burger blijft kijken, houdt het niet op. Want al wordt je beledigd en voor leugenaar uitgemaakt, je kop is op de televisie. Uit het oog van de burger, uit het hart van de burger. De burger waardeert ook dat hij tegenwoordig voortdurend mag inspreken in de media om zijn mening te geven die hij niet heeft.
Waardering voor de wetenschap
Als je voortdurend op de zelfredzaamheid van de burgers hamert, hen erop wijst dat ze voor zichzelf moeten opkomen, Jan en Alleman voortdurend naar zijn menig vraagt, als je dat gedrag waardeert, krijg je een egocentrische, verhufterde samenleving.
Wat heb ik eraan? Wat koop ik ervoor? Dat zijn de twee belangrijkste vragen die een burger bezighouden. Dat zijn ook de vragen die aan wetenschappers gesteld worden, door de beleidsmakers, door de media en door de burger. Als de onderzoeker die vragen goed beantwoordt, worden hij gewaardeerd en dus beloond.
Om de burger het gevoel te geven dat zijn vragen worden beantwoord, draait het helemaal om de vorm van de antwoorden en veel minder om de inhoud van de antwoorden en al helemaal niet om het waarheidsgehalte van het antwoord. In de maatschappij is de trend van waardering voor inhoud naar waardering voor vorm zo goed als compleet.
Voordat de wetenschapper die twee vragen “Wat heb ik eraan?” en“Wat koop ik ervoor?” van de burger direct – of via de media – kan beantwoorden, moet hij een antwoord weten op de vraag: “Hoe speel ik mijzelf in de kijker?”
Liegen
Het resultaat is ongelooflijk. Onderzoekers liegen glashard. Over de toepassingen van nanotechnologie, over de nakende genezing van Alzheimer en Parkinson, over gentherapie, over kanker, over toepassingen van koude atomen. Als ze dat niet doen, wordt er niet naar ze geluisterd. De burger en het lid van de Tweede Kamer hebben beiden een dementerende moeder en zijn blij met de belofte van de onderzoeker.
Onderzoekers volgen mediatraining. Onderzoekers huren bureaus in die kleurenplaatjes voor hun maken om geliktere artikelen te kunnen insturen. Ze sturen bij het insturen van hun artikel wel vijf, door grafische specialisten gemaakte, kleurenplaten mee als suggestie aan de redacteur om er één op de voorpagina te zetten. Ze laten hun teksten redigeren door tekstschrijvers. Ze geven interviews in kranten voordat ze iets hebben gepubliceerd in een vakblad. Ze laten zich voor de radio interviewen als ze net uit de Antarctica komen en met fantastische conclusies komen, terwijl ze toegeven dat ze nog een jaar nodig hebben om de resultaten uit te werken. Als het maar leuk overkomt en er maar leuk uitziet.
De H-index, m-index, impact factor, Eigenfactor en Article Influence Score, die termen zullen u misschien niet veel zeggen, maar die getallen zijn het dagelijkse gepreksonderwerp van hedendaagse wetenschappers, inclusief de jongere onderzoekers. Het zijn allemaal getallen die in een seconde op het internet kunnen worden gegenereerd en die niets te maken hebben met de inhoud, maar toch worden gehanteerd als prestatie-indicatoren voor wetenschappers. Ze leiden tot pervers gedrag. Wetenschappers verworden tot gelikte verkopers. En ook in de wetenschap worden verkopers steeds meer gewaardeerd.
In de discussie over het nut van wetenschap sta ik niet aan de kant van degenen die “de kunst om de kunst” verdedigen. Als je om die reden je vak als wetenschapper wil uitoefenen, ga je maar – net als de echte kunstenaar – in de bijstand, of ga je maar sterrenkunde doen. De burger vindt sterrenkunde prachtig. Ik ook. Hij wil ervoor betalen. Ik ook. Stringtheorie, van mij mag het. Kost toch niks.
Maar je moet niet op de ontdekking van de transistor wijzen om je onderzoek aan de oerknal te verdedigen. Ik vind dat wetenschap ergens toe moet dienen. Alleen verschil ik met velen van mening over de lengte van de termijn. Als er na dertig jaar niets is uitgekomen, mag de ondersteuning op een lager pitje.
Hoe vind je dan de goede kwaliteitsindicatoren voor wetenschap? Dat is heel moeilijk. Daarbij speelt peer review een rol. Ook vertrouwen. Dat kan nu even niet omdat de burger ervoor gezorgd heeft dat de onafhankelijke wetenschapper niet meer bestaat.
Door wetenschappers behaalde resultaten uit het verleden analyseren op basis van kwaliteit. Onderzoekers confronteren met hun in het verleden gedane beloftes. Wat doen de promovendi van een bepaalde groepsleider nadat ze gepromoveerd zijn? Hoeveel zijn er nog werkzaam in het onderzoek? We moeten een schaal voor originaliteit zien te vinden. Onderzoekers vragen naar hun beste tien publicaties. En ze laten uitlegg
en waarom die publicaties zo goed zijn. Niet zoals nu, even op Internet zijn tien best geciteerde publicaties opzoeken. En op nationaal niveau moet men het lef hebben om andere indicatoren te gebruiken voor de kwaliteit van wetenschap dan elders gebruikelijk zijn. Een brain influx zou het gevolg zijn in plaats van een brain drain.
Is het hopeloos, de trend naar vorm? Nee zeker niet. Ik kan bewijzen dat de inhoud uiteindelijk altijd zal overwinnen. Ik doe dit aan de hand van de salarisstrook. Een salarisstrook vol met grafische hoogstandjes, internet-koppelingen, psychologische spreuken en slogans van waardering voor de medewerker, en weet ik wat nog meer voor leukigheid, zal het altijd afleggen tegen de saaie salarisstrook op derde-wereld papier in zwart-wit, maar wel met een hoger salaris.

