—-
Column uitgesproken op maandag 29 juni om 16.45 ter gelegenheid van het gereedkomen van de eerste bouwfase van het nieuwe faculteitsgebouw van de Faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Universiteit van Amsterdam.
—-
Hoe belangrijk is talent?
Ruim een maand geleden was ik gevraagd om een voordracht te geven bij de feestelijke opening van de Rotterdamse Onderzoekschool voor Oogheelkunde van het oogziekenhuis in Rotterdam. Bij de opening waren twee sprekers: De burgemeester Ahmed Aboutaleb en voor hem mocht ik spreken. In Rotterdam legde ik uit wat, volgens mij, de Amsterdamse mentaliteit in een notendop is:
Een Amsterdammer probeert zo snel mogelijk op voet van je en jij met je te komen. Om dan uit te leggen dat hij natuurlijk niet gaat doen wat *jij* hem gevraagd hebt.
Ik richt mij in deze gesproken column vooral op wetenschappers en in het bijzonder op jonge wetenschappers en studenten onder u. De meeste gearriveerde wetenschappers op wie dit praatje van toepassing zou zijn, zijn helaas allemaal hopeloze gevallen. Voor de niet-wetenschappers is het een aardig inkijkje in de wereld van de wetenschap en snappen ze misschien ook waarom hun knappe neefje zo onuitstaanbaar is geworden.
Geslaagde wetenschappers vergelijken zichzelf graag met kunstenaars. Originaliteit en talent heb je nodig om te slagen in de wetenschap. En die eigenschappen dichten ze zichzelf in hoge mate toe. Als ik dan aan zo’n artistieke wetenschapper vraag of dat ook betekent dat hij, om zijn beroep uit te oefenen en om van vrijheid te genieten, net als bijna alle kunstenaars, van de bijstand zou willen leven, krijg ik nooit een bevestigend antwoord.
Wetenschap heeft een dienende functie. Dienend aan de maatschappij. Niet noodzakelijkerwijs een economisch dienende functie. Maar het moet ergens toe dienen. Bijvoorbeeld de nieuwsgierigheid van het grote publiek bevredigen.
Dat dienende aspect van wetenschap en dat leren dienen is voor veel beginnende wetenschappers, ja zelfs voor veel gearriveerde wetenschappers, een moeilijke zaak.
Om succesvol te zijn in wetenschap wordt talent meestal gezien als de doorslaggevende factor. Onderdelen van dit talent hebben aansprekende namen gekregen, zoals wiskundeknobbel of het zijn van nerd. Hersenen van genieën worden gewogen en verder onderzocht om de aanwezigheid van die wiskundeknobbel vast te stellen.
Ik schets u nu hoe een carrière van een jong iemand met veel talent voor wetenschap toch regelmatig fout loopt. Onder regelmatig schat ik in een kwart tot de helft van de gevallen.
Het gaat om die leerlingen die zeer goed kunnen leren. Ze halen goede cijfers op de middelbare school. Het gaat ze gemakkelijk af en huiswerk maken hoeven ze niet. Als ze iets teveel huiswerk moeten maken, zijn ze tegenwoordig goedgebekt en brutaalgebekt genoeg om dat pak huiswerk zo weer ongedaan te krijgen. De ouders die vinden dat hun kind speciaal onderwijs moet krijgen omdat hun kind hoogbegaafd zou zijn, hebben mijns inziens zelf in alle gevallen te weinig verstand om die vermeende hoogbegaafdheid vast te kunnen stellen.
Maar goed. De familie ligt in katzwijm voor de bolleboos. En het sociaal verstoten worden, of gepest worden zijn allemaal tekenen van jaloezie van mensen die geen wortel kunnen trekken of nog steeds niet snappen waarom min maal min plus is.
Dan komt dat talent aan op de universiteit en valt al minder op. Maar met een beetje geluk blijft hij of zij zich toch handhaven aan de bovenkant. Ze halen hun master met een qua omvang mager eindverslag. Het kwaad is dan al geschied. De talenthebbenden vinden ook zelf dat ze speciaal zijn en speciale sociale rechten hebben. Ze zijn lui, arrogant en kunnen niet tegen tegenslag, laat staan tegen tegenstand.
Ze snappen niet dat om een groot wetenschapper te zijn, je moet dienen. En dienen is te leren. De talentvollen vinden zelf dat ze te goed zijn om zich bezig te moeten houden met de kleine dingen die domme inspanningen vereisen. Waarom zouden zij hun best doen om hun wetenschappelijk artikel leesbaarder te maken? Dat moet die minder getalenteerde lezers maar doen, want die hebben geen talent om zulke mooie artikelen te schrijven. Dat is hun straf voor het minder getalenteerd zijn.
U moet dat gezicht eens zien van een jongen met vijf tienen op zijn eindexamen als hij merkt dat het nieuwe wetenschappelijke idee dat hij bedacht heeft al vijf jaar eerder blijkt te zijn gedaan in Caltech in de USA.
Ook willen degenen met veel talent op lokaal niveau, dat wil zeggen in hun eigen instelling, geen kleine dingen doen. Dat moet het voetvolk maar doen. En wat blijkt? O, Verrassing. Er is geen voetvolk. En dat wat de getalenteerden voor voetvolk aanzien, is mans genoeg, zeker in Amsterdam, om uit te leggen dat ze dat toch niet gaan doen.
[Ambacht]
Mijn stelling is: wetenschap is vooral een ambacht. Een vak dat je kan leren. Van iemand die het vak beheerst. Voor leergierigen, die dat vak willen leren zijn er veel mogelijkheden. Er zijn veel mensen die graag willen uitleggen hoe je dat vak moet uitoefenen. Je moet het dan wel leren van wetenschappers die weten wat dienen is. Niet die arrogantie wetenschappers, die je onder bijv. natuurkundigen, in grote getale aantreft die hun vak het belangrijkste van de gehele natuurkunde, ja, van de gehele wetenschap vinden. Die voeden je alleen maar op tot een sociaal wrak dat slechts kan overleven in de scherp omheinde kloostermuren van mutual admiration societies.
Naast leren van direct contact met leermeesters, kan je het ook leren van boeken en van informatie van internet.
[Verkeerde reactie 1]
Natuurlijk kan je als Amsterdamse, arrogante hufter aan de redacteur van een tijdschrift schrijven dat de anonieme beoordelaar er helemaal niks van snapt. En natuurlijk lucht dat op. En natuurlijk staan je Amsterdamse collega’s je toe juichen over zoveel lef. Maar het resultaat is dat je artikel niet geplaatst wordt en dat je een belangrijke wetenschapper in jouw veld hebt gemaakt tot een levenslange vijand. Tel uit je winst.
[Verkeerde reactie 2]
Dan schrijft zo’n promovendus een artikel waarin hij een bepaald aspect niet uitlegt hoe hij het heeft gedaan. Dan zeg ik “Kan je dat niet uitleggen in je artikel”. Het stereotype antwoord is dan. “Ja, hoor eens: de lezer moet dat doen”. De lezer heeft intussen dat artikel al lang aan de kant gelegd en de promovendus is al weer een potentiële lezer kwijt. Maar oma, blijft toch denken dat haar kleinzoon een briljante wetenschapper is.
[Bijschriften]
Sla de tijdschriften er maar op na. De volgende bijschriften bij figuren vind je nog regelmatig: “Voor verklaring zie tekst”. Dodelijk zou ik zeggen. Een plaatje in een artikel moet buiten de context van het artikel begrepen kunnen worden, juist door een zeer drukke wetenschapper. Maar nee, hoor ons jonge talent, vindt dat deze mogelijk geïnteresseerde lezer het hele artikel moet doorploegen om ergens het spoor te vinden waar een aanwijzing staat waar die figuur opslaat. Natuurlijk ben je als topwetenschapper in de dop veel te belangrijk om je bezig te houden met zoiets kleins als een bijschrift. Kom nou. Je hebt het talent voor de grote zaken. De kleine zaken moet je promotor maar doen, of je lezer.
[Titel bedenken van je van artikel]
Natuurlijk kan je bij het bedenken van je titel expres in het midden laten of het een verslag van een experiment, of van een theorie of van een computersimulatie betreft. Want denk je, als je bij oma glazig uit het raam aan het staren bent, dat je dan meer lezers zal krijgen. Maar dan heb je toch een aantal lezers behoorlijk gefopt. En gefopte lezers onthouden je naam. En wel in negatieve betekenis.
[Recente ervaring]
Ik zal een anekdote vertellen. Bert X, een wereldberoemde theoretisch fysicus van de universiteit Y in de VS. Niet typisch het voorbeeld van een dienend wetenschapper, dacht ik. Ik was twee weken geleden op Kreta voor een conferentie. Ik hield een plenaire voordracht (ja, ja, ik weet mezelf goed te promoten). Bert zat in de zaal. Wat al een hele eer is. Hij was er omdat hij de volgende avond, een soort gala-avond, de eminente spreker was om andere geleerde te eren. Na afloop van mijn voordracht komt Bert naar voren gelopen en vraagt me “Ik begrijp niet hoe het komt. Maar het lijkt wel of bij jou de beamer een andere schermverhouding (aspect ratio) heeft. Hoe doe je dat?” Ik vertel hem mijn truc. In mijn sjabloondia (master slide) zet ik altijd een zwarte balk die ongeveer 1/4 van het scherm aan de benedenkant beslaat. Dat om mij eraan te herinneren, bij het voorbereiden van mijn dia’s, om die onderkant niet te gebruiken. “Waarom doe je dat”, vraagt Bert. Ik leg uit dat in de meeste zalen veel toehoorders 1/4 van de onderkant niet kunnen zien, omdat de rijen achterin niet verhoogd zijn. Om dat probleem te verhelpen staat er bij mij nooit iets op de onderkant. En de kijkers merken er niks van want die band is zwart. Alleen een opmerkzame kijker, zoals Bert, die al nerveus met zijn eigen voordracht bezig was, ziet een rare schermverhouding. “Ja”, zegt Bert, “maar je weet toch niet zeker dat die zaal zo zal zijn, dat een kwart van de toeschouwers de onderkant niet ziet”. “Nee,” antwoord ik, “dat weet ik niet zeker. En juist daarom doe ik die band altijd.” Hij luistert aandachtig.
Bert houdt de volgende avond zijn verhaal. Met een uitstekende groene laser pointer die ik hem had geleend. En met alle dia’s voorzien van een zwarte band aan de benedenkant. Zijn verhaal was werkelijk indrukwekkend mooi. Na afloop bedankt hij me voor de laser pointer en voor de truc van de zwarte band.
[Herhaling]
Wetenschap is contact met de buitenwereld. Je dient je als wetenschapper af te vragen: Hoe kan ik ze dienen? Mijn gehoor, mijn lezerspubliek, mijn collega’s. Ik zeg niet dat je over je heen moet laten lopen. Maar daar ben ik in Nederland helemaal niet bang voor.
Al kost het een avonden om je voordracht te verbeteren. Gewoon doen. Goede lettertypes, geen blauw op zwart. Het beantwoorden van rapporten van anonieme beoordelaar is heel belangrijk. Mag je heus een paar dagen voor uittrekken. Het is zo eenvoudig. Hoe kan ik die redacteur ter wille zijn? Hoe kan ik die anonieme beoordelaar dienen?
[Weggegooid talent]
Als je je die vraag van hoe kan ik dienen voortdurend afvraagt en er ook naar handelt, kan je heel veel gebrek aan talent compenseren. Als je je die vraag nooit stelt, is je talent voor altijd verloren.


heel leuk artikel,maar ik ben taalkundig gezien beslist geen domme jongen,maar wat bedoelt men met de zin:
een adammer probeert zo snel mogelijk op voet——-etc.
daar zit voor mij totaal geen logica in,wat ontbreekt hier????’wat probbert men hier te zeggen???
Kees,
“Op voet van gelijkheid met iemand omgaan” = hem als gelijke behandelen.
Ik heb dit voorbeeld in de van Dale opgezocht.
Bedankt voor je reactie.
Lesje presentatie
http://www.ted.com/talks/hans_rosling_shows_the_best_stats_you_ve_ever_seen.html
Hoe belangrijk is talent voor wetenschappers? « Interferentie…
Blog van Adje…