Gisteren moest ik in Hoofddorp zijn. Voor mij is de Haarlemmermeerpolder altijd weer een confrontatie: ik ben er geboren. In de zesde klas van de lagere school liepen we van Badhoevedorp naar Hoofddorp om aldaar te worden getrakteerd op een Dik Trom film.
Hoofddorp is verwoest door de vooruitgang. Lelijker dan dat kan je het niet krijgen. Allemaal onze eigen schuld. Als de prijs van product het enige criterium is, krijg je Hoofddorp.
Ik moest een collega van het treinstation afhalen. Dat station zou, als de zon geschenen zou hebben, letterlijk overschaduwd zijn door gebouwen, waarvan de efficiëntie en intense lelijkheid iedere belastingbetaler tot tevredenheid zal stemmen. Maar de zon scheen niet.

Hoofddorp kent vele fraaie kantoorgebouwen. Zoals dit gebouw, waar je tegenop loopt als je het NS-station uitkomt
Ik was ruim een kwartier te vroeg. In mijn naïviteit verheugde ik mij al op een kwartiertje ouderwets vertoeven in een koffiehuis en een beetje naar de besneeuwde wereld kijken. Stom van me. Een stoel in een horecagelegenheid is een toppunt van inefficiëntie. De klant heeft al betaald en moet zo gauw mogelijk ophoepelen. Zodat het personeel weer intensief kan discussiëren over het onredelijke werkrooster en over wie er overmorgen laat moet werken. Geen klant die bereid is om tien cent meer te betalen voor de koffie als er daarvoor een paar stoelen staan in een etablissement.
Er was een broodjeszaak bij het station. Met inderdaad geen stoel en zegge en schrijven twee sta-tafels. U kent ze wel, van recepties. De afwezigheid van luchtsluizen en de aanwezigheid van twee tegenover elkaar gelegen deuren, zorgde er gelukkig voor dat er geen vette walmen waren. Nee, het was er echt lekker fris.
Twee toonbanken, beide met informatieloze foto’s van de verkrijgbare etenswaren nodigden me uit. De toonbanken, gescheiden door een flinke pilaar, leken identiek met hetzelfde aanbod aan etenswaren. Bij één van de twee kon je ook treinkaartjes krijgen. Pardon, ik bedoel uiteraard treintickets. Ik had geen haast, maar voor de ene balie stond een rij van vier mensen en voor de andere balie stond niemand. Op die tweede toonbank stond wel een gigantische kartonnen reclameplaat met daarop de uitnodiging om een papieren beker warme drank te nuttigen, geïllustreerd met een grote tekening van een dampende gevulde papieren beker. Het leek uit de verte verdacht veel op chocola, en dat was precies wat ik wilde.
Ik zag geen personeel achter die toonbank, toen ik naar de tweede balie toeliep. Vreemd want alle subtiele marketing signalen deden mij vermoeden dat de toonbank toch wel bediening kon velen. Geen enkele van de drie dames achter de andere toonbank bekommerden zich om mijn situatie.
Ik ontwaarde een paar meter achter de toonbank een dame die geen aanstalten maakte om zich uit haar winterslaap te ontpoppen als lid van het bedienend personeel. Typisch een geval van toonbankangst. Ik trok haar aandacht en vroeg haar of ik wat kon bestellen. “Een kop warme chocolade, alstublieft”, vroeg ik. Een brede glimlach brak door op haar gezicht en met een zucht van verlichting zei ze “Nee, warme chocola, dat verkoop ik niet”.
Ik was even uit het veld geslagen. Gelukkig: ze was behulpzaam. “Daarvoor, moet u bij de winkel hiernaast zijn”. Nu was dit tochtgat het enige glazen paleis dat ik in de omgeving kon ontwaren. Er ging me een licht op. “U bedoelt toch niet die toonbank, twee meter naar links van u? “Ja”, antwoordde ze, “de winkel hiernaast”.
Mijn conditie is nog heel goed, dus met een flinke inspanning overbrugde ik die twee meter om daar inderdaad in het bezit te geraken van een warme kop chocolade.
Mijn collega was nog niet gearriveerd. De tafels hadden al die tijd hun evenwicht kunnen bewaren, dus waagde ik het erop en zette mijn papieren cylindertje op een tafel. Een andere wachtende reiziger had ook een staanplaats veworven aan dezelfde tafel. Hij lachte me toe en zei “Ja, u ziet het, concurrentie moet er zijn”.
Mijn blik dwaalde langs de muren. Ik vroeg me af of het “management team” van winkel A of het team van winkel B verantwoordelijk was voor de inrichting. Misschien hadden die twee management teams de inrichting wel uitbesteed aan een gebouwbeheerder. Dat laatste nam ik maar aan.
De gebouwbeheerder had een prachtig stuk RealKunst aan de muur aangebracht: een niet van echt te onderscheiden automatiek was als decoratie opgehangen.
Het kunstobject was keurig schoongehouden en om het onderhoud aan het object te minimaliseren had de gebouwbeheerder verboden om etenswaren in de vakjes te leggen.
Terugblikkend op mijn verblijf op het NS-station gaf me een goed gevoel. In dit land worden belastingbetaler en consument op hun wenken bediend en krijgen ze wat ze verdienen. Mijn collega was mooi op tijd. Dat kwam goed uit want ik was nog wel van plan om die dag nog een Louis Vuitton tas te kopen voor een dame.


